spacer
Home > Sporten > Atletiek
spacer
Atletiek
Sprint

100m
De kortste loopafstand op de baan is de meest pure en eerlijke vorm van menselijke snelheid en is daardoor een van de koningsnummers van de atletiek geworden.
De 100m is het domein van absolute snelheid. Atleten met verschillende lichaamsbouw kunnen goed presteren op deze afstand. Snel zijn betekent in staat zijn om direct vanuit de hersenen opdrachten door te geven die nodig zijn voor spiersamentrekking. De 100m vereist buitengewone reflexen bij de start en grote explosieve kracht. In de eerste passen moeten de sprinters volmaakte controle over hun bewegingen en hun evenwicht, waarbij ze een zekere ontspanning houden. Dan moeten ze hun versnellend vermogen gebruiken om topsnelheid te bereiken. Omdat het moeilijk is topsnelheid langer dan 6 of 7 seconden vast te houden, hebben sprinters sterke spieren nodig en een ontspannen ogende techniek. De juiste verhouding tussen frequentie en paslengte is de sleutel tot de sprinttechniek. De 100m kan worden verdeeld in de elementaire delen start, de versnelling en finish. De juiste combinatie zorgt voor het beste resultaat.

200m
Deze afstand is vergelijkbaar met de oude Griekse sprint afstand "stadion" (letterlijk de lengte van het stadion), maar het is afgeleid van de mijl, de 'furlong', oftewel één achtste mijl.
In Amerika werd de 200m tot ongeveer 1960 in een rechte lijn gelopen. Een bocht kwam alleen voor tijdens de Olympische Spelen in Europa, waar de afstand voor het eerst in 1900 op het programma stond. De 200m met een volledige bocht van de 400m-baan werd wereldwijd geaccepteerd in 1958, toen men twee verschillende records begon bij te houden.
De 200m specialist moet de basissnelheid van de 100m sprinter combineren met een looptechniek die hem in staat stelt centrifugale krachten te beheersen in de bocht. Tijden op een 200m in rechte lijn werden 3 of 4 tiende van een seconde sneller ingeschat dan races met een bocht. De 200m tilt snelheid boven zichzelf uit. Goede indeling van de race en effectieve bochtentechniek vormen de sleutel tot deze sprintafstand. Atleten moeten niet te langzaam starten, maar als ze te scheutig zijn met energie zullen ze niet de hele afstand volhouden zonder te verzwakken. Kracht neemt het over van snelheid als de sprinter uit de bocht komt en de pijn begint te voelen. De start is hier iets minder belangrijk dan op de 100m.

400m
Deze afstand is verwant met de kwart mijl die 440 yards (402.34m) bedraagt. Deze race wordt het best omschreven met de term uithoudingssprint. De 400m is berucht als "dodelijk" omdat het fysiologisch onmogelijk is om langer dan 30 tot 35 seconden te lopen op praktisch volle snelheid. Na 30 tot 35 seconden begint de zuurstofschuld op te treden en de spieren vullen zich met melkzuur. 400m lopers moeten over een goede basissnelheid beschikken, ze moeten het tempo goed kunnen inschatten en zij moeten leren pijn te negeren! Hoewel de 400m lopers traditioneel verdeeld werden in de 200m/400m types en de 400/800m types, zijn het de pure sprinters, zoals Michael Johnson die het nummer nu beheersen.
De zwaarste sprintafstand, kan beschouwd worden als kort in tijd en lang in afstand. De 400m loper moet een sprinter met lef zijn. Wilskracht strijdt tegen de pijn als de spieren alsmaar zwaarder worden aan het eind van een race. Alleen in zijn baan, moet de atleet snel starten, op negentig procent van zijn kunnen en zijn tempo zo onder controle houden dat hij niet tegen een muur loopt.

Midden afstand

800m
800m is de afstand waarop snelheid en uithoudigingsvermogen samengaan. Het is verwant aan de halve mijl (880 yards of 805.67m) en werd voor het eerst in Engeland door professionele atleten gelopen rond 1830. Lange tijd was het gebruik om een snelle eerste ronde te lopen. Maar in 1932 werd Tom Hampson de eerste die onder 1.50 liep (1.49.7) wat hij bereikte met twee even snelle rondes. (54.8 + 54.9). Toen de Duitser Rudolf Harbig het wereldrecord verpulverde in 1.46.6 in 1939 was dat met name te danken aan de "interval training". Bedacht door zijn trainer Waldemar Gerschler. Door deze training werd een specifiek uithoudingsvermogen ontwikkeld, door snelle trainingsherhalingen met korte herstelpauzes: bijv. 50 x 100m, 20 x 150m.
Hier gaat de atleet de strijd met zijn tegenstanders in twee ronden aan, hij neemt de situatie in ogenschouw en komt met ze in contact. Ellebogenwerk is de normaalste zaak van de wereld. Iedereen, groot of klein heeft een kans in deze wedstrijd waarbij anaërobe inspanning een laatste sprint naar de finish kan ontketenen. De 800m loper moet beschikken over lef, strategisch inzicht, gevoel voor positie kiezen en anticiperingsvermogen. Samen kunnen deze eigenschappen je in staat stellen diegenen te verslaan die sterker zijn dan jijzelf. Het is een wedstrijd die doordrenkt is met romantiek, waarin alles kan gebeuren, waar de verlengde snelheid van de 400m het uithoudingsvermogen van de 1500m tegenkomt. Het is het koninkrijk van de super- atleten die snel en lang kunnen lopen.

1500m
Het "zusje" van de mijl (1609.32m). De 1500m werd geboren op de 500m banen van het Europese vasteland. Het is de klassieke middenafstand geworden die een combinatie van snelheid, uithoudingsvermogen en tactische scherpzinnigheid is.
Het maakte al deel uit van de eerste moderne Olympische Spelen en in de vroege periode kwamen veel 1500m lopers ook uit op de 5000m. Dit koningnummer, waarin de atleet moet balanceren tussen de zuurstofvoorziening en de zuurstofschuld. Hier begint het uithoudingsvermogen echt te tellen, maar snelheid is ook van belang, gezien de veelvuldige deelname van 800m specialisten. De grote pioniers op de 1500m hebben zichzelf nooit grenzen gesteld, en zo overtroffen ze zichzelf steeds. Taaiheid, energie en mentale weerbaarheid zijn de voornaamste ingrediënten van succes. Soms hebben ze genoeg veerkracht voor een aanval in de laatste bocht op iemand die ze nooit eerder hebben verslagen.

Estafette

Estafette 4x100m
De estafette is geboren in de Verenigde Staten, rond 1880, als tegenhanger van de New Yorkse brandweermannenrace waarbij na iedere 300 yards een rode wimpel werd overgegeven. Het stokje was een houten cilinder (later metaal) die 30.48m (1 voet) lang was. De estafette maakte voor het eerst zijn opwachting bij de Olympische Spelen in 1908 waar ze was verdeeld in stukken van 200m, 200m, 400m, en 800m. De race werd gewonnen door het team van de Verenigde Staten, met John Taylor als de eerste zwarte atleet ooit die een gouden medaille won. In 1912 werden de 4 x 100m en de 4x 400m tot de Olympische Spelen in Stockholm toegelaten. De 4 x 100m is een Europese uitvinding wat inhield dat het stokje moest worden overgegeven in een vak van 20 meter, wat de snelheid van de overname beperkte. Dit werd vervolgens (1963) veranderd zodat de sprinter die het stokje moest overnemen tien meter voor het wisselvak mocht wachten.

Hoogspringen
De hoogspringer moet zijn lichaamsgewicht bevrijden uit de greep van de zwaartekracht en het verticaal over een lat brengen -- alsmaar hoger. Hierbij moeten de atleten rekening houden met hun lichaamsbouw, de lengte van hun ledematen, hun aanloopsnelheid, hun vermogen om te ontspannen, en met souplesse, met kracht en coördinatie. Iedere beweging moet tot op de millimeter onder controle zijn om in een perfecte boog over de lat te springen. Alle puzzelstukjes moeten in elkaar passen tijdens de versnelling naar de afzet. En dan is het de uitdaging voor de springer om de zwaartekracht uit te schakelen. Een hoogte van zes voet (1.83m) werd voor het eerst gesprongen door Marshall Brooks (GBR) in 1876 die een techniek gebruikt waarbij de voeten het eerst over de lat gingen. De "schaarsprong" werd voor het eerst gebruikt door William Page (USA) in 1874. Tot 1936 bestond de regel dat de voeten het eerst over de lat moesten gaan. In 1925 besloot de IAAF dat de standaards (waarop de lat werd vastgehouden) zo moesten worden opgesteld dat de lat makkelijk zou vallen als ze geraakt werd. In 1968 vond Dick Fosbury (USA) de "flop" uit, een achterwaartse sprong met een hele snelle aanloop die mogelijk werd gemaakt door de invoering van een dikke mat. Sinds 1978 gebruiken alle toppers deze techniek. Javier Sotomayor (Cuba), de huidige wereldrecordhouder met 2.45m, is 1.93m lang. Hij springt dus 52cm boven zijn eigen lichaamslengte. Maar de 1.73m lange Amerikaan Franklin Jacobs, is op dit gebied de wereldrecordhouder met een verschil van 59cm. Hij sprong in 1978 2.32m. De eerste hoogspringwedstrijd voor vrouwen vond plaats in Amerika in 1895. Net zoals hun mannelijke collega's, hebben ook de vrouwen, op jacht naar grotere hoogten, veel verschillende technieken gebruikt, van de schaarsprong via de straddle naar de Fosbury flop. De vrouw die het hoogst over haar eigen lichaamslengte heeft gesprongen is Nikki Bakoyanni, 1.71m lang met een persoonlijk record van 2.03m.

Mijlpalen

  • Als eerste over 2m: 2.00m George Horine USA 1912
  • Als eerste over 7 voet: 2.15m Charles Dumas USA 1956
  • Als eerste over 2.20m: 2.22m John Thomas USA 1960
  • Als eerste over 2.30m: 2.30m Dwight Stones USA 1973
  • Als eerste over 2.40m: 2.40m Rudolf Povarnitsyn RUS 1985
  • Als eerste over 8 voet: 2.44m Javier Sotomayor CUB 1989
  • Ontwikkeling van het record daarna:
    • 2.45m Javier Sotomayor 1993
  • Record dat het langste heeft stand gehouden: 1.97m Mike Sweeney USA 1895 (16 jaar)
  • Meeste sprongen hoger dan 2.40m: Javier Sotomayor: 21

Mijlpalen (vrouwen)

  • Eerste officiële record: 1.65m Jean Shiley & Babe Didrikson USA 1932
  • Als eerste over 1.70m: 1.71m Fanny Blankers-Koen NED 1943
  • Als eerste over 1.80m: Yolanda Balas ROEM 1958
  • Als eerste over 6 voet: 1.83m: Yolanda Balas 1958
  • Als eerste over 1.90m: 1.90m Yolanda Balas 1961
  • Als eerste over 2m: 2.00m Rosi Ackermann GDR 1977
  • Als eerste over 2.05m: Tamara Bykova RUS 1984
  • De ontwikkeling van het record daarna:
    • 2.07 Lyudmilla Andonova BUL 1984
    • 2.07 Stefka Kostadinova BUL 1986
    • 2.08 Stefka Kostadinova 1986
    • 2.09 Stefka Kostadinova 1987
  • Record dat het langste stand heeft gehouden: 1.91 Balas 1961 (10 jaar)Meeste sprongen over 2.05m: Stefka Kostadinova 21
Verspringen
Hier gebruikt de atleet, die in eerste instantie een sprinter moet zijn, snelheid als middel om door de lucht te vliegen. Top hinkstapspringers kunnen de afzetbalk raken met snelheden van 10 meter per seconde. Dankzij krachtige benen en een elastische afzetvoet (hier telt de ontspanning) zet de verspringer de loopbeweging om in een zweefvlucht. De kampioenen kunnen Icarus' droom vervullen - met behulp van niets meer dan een aanloop, zetten ze een magische boog in. De verspringer bedwingt een onzichtbare barrière - afstand. De oorspronkelijke hinkstapsprong die beoefend werd door de Grieken was niet meer dan drie vertesprongen na elkaar. De Kelten vonden een techniek uit met drie sprongen in één vloeiende beweging. Hiervoor werden de regels vastgesteld tegen het eind van de 19e eeuw, eerst door de Ieren, daarna door de Amerikanen. Oorspronkelijk een hink-hink-sprong, met de eerste twee hinken met dezelfde voet, werd de driesprong na 1900 een hink-stap-sprong.

Het verspringen heeft deel uitgemaakt van alle sportwedstrijden sinds de antieke tijden. Bij de Spelen van 708 v.Chr. was het onderdeel van de vijfkamp: de springer nam zijn aanloop met een klein gewichtje in iedere hand zodat ze meer stuwkracht kregen. Het moderne verspringen kreeg zijn regels in Engeland en Amerika in 1860: er moest worden gesprongen vanaf een 20cm brede plank in een zandbak. Handgewichten werden niet gebruikt. Tot de twintiger jaren van de vorige eeuw was de techniek tamelijk elementair, met de benen onder het lichaam samengetrokken meteen na de afzet, daarna uitgestrekt en vervolgens weer onder het lichaam getrokken voor de landing. Tussen 1922 en 1927, introduceerden de Amerikanen William De Hart Hubbard (medewereldrecordhouder op de 100 yards met 9.6sec) en Robert LeGendre introduceerde de loopsprongtechniek, een loopbeweging in de lucht. Variaties hierop en de simpelere hangsprongtechniek, zijn ook vandaag nog in gebruik. De eerste verspringwedstrijden voor vrouwen vonden plaats in Amerika in 1895. Het eerste IAAF-wereldrecord voor vrouwen dateert uit 1928, maar het nummer stond op de Olympische Spelen pas in 1948 in Londen voor het eerst op het programma.

Mijlpalen

  • Als eerste over 7m: 7.05m John Lane IERL 1874
  • Als eerste over 7.50m: 7.50m Myer Prinstein USA 1900
  • Als eerste over 26voet: 7.93m Silvio Cator HAI 1928
  • Als eerste over 8m: 8.13m Jesse Owens USA 1935
  • Als eerste over 27ft: 8.24m Ralph Boston USA 1961
  • Als eerste over 8.50m & 28/29voet: 8.90m Bob Beamon USA 1968
  • Recordontwikkeling daarna:
    • 8.95m Mike Powell USA 1991
  • Record dat het langste stand heeft gehouden: 8.13m Jesse Owens 1935 (25 jaar)Meeste sprongen verder dan 8.50m: Carl Lewis USA :39
Mijlpalen (vrouwen)
  • Eerste officiële wereldrecord: 5.98m Kinue Hitomi JPN 1928
  • Als eerste verder dan 6m: 6.12m Christel Schulz GER 1939
  • Als eerste verder dan 6.50: 6.53m Tatyana Shchelkanova URS 1962
  • Als eerste verder dan 7m: 7.07m Vilma Bardauskiene URS 1978
  • Als eerste verder dan 7.50m en huidige wereldrecordhoudster:7.52m Galina Chistyakova URS 1988
  • Record dat het langste stand heeft gehouden: 7.52m Galina Chistyakova (14 jaar)
Kogelstoten
Kogelstoters moeten groot zijn en over sterke armen en benen beschikken en een natuurlijke snelheid. Zij moeten de dynamische kracht bijeen brengen om een zware metalen bal zo ver mogelijk voort te stuwen. Prestaties zullen verbeteren, afhankelijk van deze kracht door verschillende middelen, in het bijzonder gewicht heffen.
Homerus maakte al melding van wedstrijden in het keien gooien tijdens de belegering van Troje. In de 16e eeuw was koning Hendrik de Achtste bekend om zijn bekwaamheid in de hofwedstrijden in gewicht- en hamerwerpen en in de 17e eeuw organiseerden Engelse soldaten wedstrijden in kanonskogel gooien. De reglementen werden voor het eerst vastgesteld in 1860, toen de gooi moest worden gedaan van een vierkant met kanten van 2.13m (7 voet). Dit werd in 1906 vervangen door een ring met een diameter van 7 voet. Het gewicht van de kogel werd vastgesteld op 7.257 kg (16 pounds). Worpen met gebogen arm waren verboden omdat ze te gevaarlijk waren en deelnemers moesten de kogel in de kromming van de nek voordat hij werd losgelaten. De zijwaartse glij in de ring werd uitgevonden in de Verenigde Staten in 1876. In 1951 verfijnde Parry O'Brien (USA) een nieuwe techniek. Vanuit een beginpositie met het gezicht naar de achterkant van de cirkel, draaide O'Brien 180 graden door de hele cirkel voordat hij hem uiteindelijk losliet. Dit maakte hem de eerste die de 18m grens verbrak (en daarna de 19m). In 1976 begon Aleksandr Baryshnikov de rotatie techniek, vergelijkbaar met die van de discuswerpers, die enorm populair is geworden.
Een wedstrijd kogelstoten voor vrouwen met een 4kg zware kogel werd voor het eerst gehouden in Frankrijk in 1917. Het eerste wereldrecord dateert van 1934 en het nummer maakte zijn Olympisch debuut in 1948. Tot 1927 werden er ook wel vrouwenwedstrijden gehouden met kogels van 8 pond en 5 kilo.

Zie ook:
Programma: Atletiek
Uitslagen: Atletiek
Deelnemers: Atletiek
Accommodaties Atletiek
Contactpersonen Atletiek

spacer
Welkom
spacer